HIDRADENITIS SUPPURATIVA LITERATUUR
I.
INLEIDING
Hidradenitis
suppurativa is een chronisch recidiverende ernstige ontsteking uitgaande van
het haartalgkliercomplex, die meestal na de puberteit begint en waarbij
pijnlijke diepgelegen ontstoken laesies ontstaan in gebieden met apocriene
klieren, meestal de oksels, liezen, en het anogenitale gebied (Revuz 2009).
Het komt vrij frequent voor, naar schatting bij circa 1% van de populatie in
Europese landen. Het gaat gepaard met pijnlijke erythemateuze laesies, noduli,
abcessen en fistels en in een later stadium dermale contracturen.
De
ziekte werd voor het eerst in 1839 beschreven door Velpeau, die sprak over een
ontstekingsproces met vorming van oppervlakkige abcessen in de oksels, rondom
de mammae en in de perianale regio (Velpeau 1839). In 1864 werd door Verneuil,
een Franse chirurg, de naam hidrosadénite phlegmoneuse, de Franse naam voor
hidradenitis suppurativa, gebruikt (Verneuil 1864). Hij beweerde dat de eerste
belangrijke stap in de pathogenese een ontsteking van zweetklieren was. In
1939 werd door Brunsting dit gegeven verder uitgewerkt. Voornamelijk de
apocriene en in mindere mate de eccriene zweetklieren zouden het
aangrijpingspunt van het ziektebeeld zijn (Brunsting 1939). In 1952 werden
door dezelfde persoon duidelijke overeenkomsten gezien met acne vulgaris (Brunsting
1952). Kierland zag het ziektebeeld in een breder perspectief. Hidradenitis
suppurativa zou een variëteit van verschillende klinische uitingsvormen
omvatten (Kierland 1951). In 1955 werd door Shelly en Cahn het fenomeen van
inflammatie van de apocriene zweetklieren in een klein experimenteel model
aangetoond. Hun conclusie was dat HS werd veroorzaakt door afsluiting van de
apocriene klieruitgang door een hyperkeratotische plug, gevolgd door een
infectie veroorzaakt door de normale microflora uit de oksel (Shelley 1955).
In
1965 brachten Pilsbury et al. de begrippen acne conglobata, HS en dissecting
cellulitis of the scalp samen onder de nieuwe term, “the follicular
occlusion triad”. De folliculaire hyperkeratinisatie met als gevolg retentie
van keratine producten met secundaire bacteriële infectie staat, net als bij
acne vulgaris, centraal bij deze ziektebeelden (Pillsbury 1956). Plewig en
Kligman vulden deze triade aan tot een tetrade door de sinus pilonidalis ook
hiertoe te rekenen (Plewig 1975). Uiteindelijk riepen Plewig en Steger in 1989
de naam “acne inversa” in het leven om op deze manier de
voorkeurslokalisatie van hidradenitis suppurativa te benadrukken (Plewig
1989). Gaandeweg is dus de oorspronkelijke theorie dat de ontsteking uitgaat
van de zweetklieren vervangen door de theorie dat afsluiting van het
haartalgkliercomplex centraal staat, net als bij gewone acne (Alikhan 2009).
Daarom gaan er stemmen op om de term hidradenitis niet meer te gebruiken, maar
alleen nog acne inversa of acne ectopica (Jansen 2001). Omdat hidradenitis
suppurativa echter wereldwijd de meest gebruikte term is, wordt deze ook in
deze tekst consequent gebruikt.
Literatuur
-
Velpeau
A. In: Dictionnaire de Médecine, un Répertoire Général des Sciences Médicales
sous la Rapport Théorique et Practique 2nd edn, Vol.2. Bechet
Jeune, Paris, 1839:91.
-
Verneuil
A. De l’hidrosadénite phlegmoneuse et des abcés sudoripares. Arch Gén Méd 1864; 114: 537-557, 1865; 115:327-337, 437-435.
-
Brunsting HA (1939)
Hidradenitis suppurativa: abscess of the apocrine sweat glands. Arch Dermatol Syphilol 39:108-120.
-
Brunsting HA (1952)
Hidradenitis and other variants of acne.
Arch Dermatol Syphilol 65:303-315.
-
Jansen T,
Altmeyer P, Plewig G. Acne inversa (alias hidradenitis suppurativa). JEADV
2001; 15:532-540.
-
Kierland RR (1951)
Unusual pyodermas (hidradenitis suppurativa, acne conglobata, dissecting
cellulites of the scalp.
Minn
Med 34:319-341.
-
Shelley WB, Cahn MM
(1955) The pathogenesis of hidradenitis suppurativa in man. Arch Dermatol 71:562-565.
-
Pillsbury DM,
Shelley WB, Kligman AM. Bacterial infections of the skin. In: Dermatology.
Saunders, Philadelphia 1956, pp 482-484.
-
Plewig G, Kligman
AM. Acne, morphogenesis and treatment. Springer, Berlin Heidelberg New
York, 1975, pp 192-193.
-
Plewig G, Steger M
(1989) Acne inversa (alias acne triad, acne tetrad or hidradenitis
suppurativa) In: Marks R, Plewig G (eds) Acne
and related disorders. Martin Dunitz, London, pp 345-357.
-
Revuz J.
Hidradenitis suppurativa. J Eur Acad
Dermatol Venereol 2009;23:985-998.
-
Alikhan A, Lynch PJ,
Eisen DB. Hidradenitis suppurativa: A comprehensive review. J Am Acad Dermatol 2009;60:539-561.
II.
EPIDEMIOLOGIE / NATUURLIJK BELOOP
Zoals
eerder genoemd wordt geschat dat hidradenitis suppurativa bij circa 1% van de
bevolking voorkomt. Dit percentage omvat zowel zeer lichte vormen als de
ernstige varianten van HS. Het is niet bekend hoeveel patiënten er zijn met
zeer ernstige HS. Er kan sprake zijn van onderrapportage, omdat de aandoening
niet altijd herkend wordt.
De
leeftijd waarop de aandoening begint kan variëren van kinderleeftijd tot
middelbare leeftijd met een gemiddelde tussen de 21 tot 23 jaar (Jemec 1996).
HS komt 2 tot 5 keer zo vaak voor bij vrouwen als bij mannen. De distributie
van de laesies kan variëren per geslacht, waarbij uit een Deense studie
blijkt dat het genitale gebied en de liesregio bij vrouwen vaker is aangedaan
dan bij mannen (Jemec 1996).
Uit
epidemiologische studies is bekend welke risicofactoren meespelen bij het
ontwikkelen van HS. Zowel genetische factoren als omgevingsfactoren zoals
roken en overgewicht worden genoemd als belangrijke factor. Op dit moment
wordt met name roken als grootste risicofactor voor hidradenitis suppurativa
gezien (OR 9.4 (95% CI, 3.7-23.7)). Obesitas, hormonale factoren, het gebruik
van een anti-perspirant of deodorant, het scheren van de haren en infecties
zouden ook een rol kunnen spelen in het verloop en de ernst van de ziekte en
in mindere mate een oorzakelijke rol hebben (Konig 1999). Hoewel roken een rol
speelt in het ontstaan van HS, zijn er geen studies waaruit blijkt dat stoppen
met roken een eenmaal ontstane hidradenitis kan doen genezen.
Er
is een duidelijke associatie tussen HS en de ziekte van Crohn (Martinez 2001,
Katsanos 2002, van der Zee 2009). Uit een Zweeds onderzoek, waarbij de
gevallen van HS uit alle Zweedse ziekenhuizen werd gelinkt met de gegevens van
de Zweedse Nationale Kanker registratie, bleek er ook een associatie te
bestaan tussen HS en non-melanoma huidkanker (Lapins 2001). Vooral
plaveiselcelcarcinomen komen in verhoogde frequentie voor bij hidradenitis
suppurativa.
Hidradenitis
suppurativa kent een zeer grote morbiditeit, waarbij pijnklachten op de
voorgrond staan. Menstruatie, strakzittende kleding en overmatige transpiratie
zouden bijdragen aan verergering van de klachten, terwijl zwemmen of baden
juist weer tot verbetering zou kunnen leiden. Echter voor veel patiënten
brengen deze maatregelen niet de oplossing, waardoor hidradenitis suppurativa
tot één van de meest vervelende en frustrerende dermatologische ziekten
behoort (von der Werth 2000 en 2001, Wolkenstein 2007).
Conclusies
|
Niveau
3
|
Er
is een sterke correlatie tussen roken en hidradenitis suppurativa.
C
Konig 1999, Sofres 2005
|
|
Niveau
3
|
Hidradenitis
suppurativa kent een hoge morbiditeit en heeft daardoor grote invloed op
kwaliteit van leven.
B
Von der Werth 2001, Wolkenstein 2007
|
Literatuur
-
Jemec GB, Heidenheim
M, Nielsen NH. The
prevalence of hidradenitis suppurativa and its potential precursor lesions. J Am Acad Dermatol 1996;35:191-194.
-
Konig
A, Lehmann C, Rompel R, Happle R. Cigarette smoking as a triggering factor of
hidradenitis suppurativa. Dermatology
1999;198:261-264.
-
Martinez
F, Nos P, Benlloch S, Ponce J. Hidradenitis suppurativa and Crohn’s disease:
response to treatment with infliximab. Inflamm
Bowel Dis 2001;7:323-326.
-
Katsanos KH,
Christodoulou DK, Tsianos EV. Axillary
hidradenitis suppurativa successfully treated with infliximab in a Crohn’s
disease patient. Am J Gastroenterol
2002 97:2155-2156.
-
Lapins
J, Ye W, Nyren O, Emtetsam L. Incidence of cancer among patients with
hidradenitis suppurativa. Arch Dermatol
2001;137:730-734.
-
von der Werth JM,
Jemec GB. Morbidity in
patients with hidradenitis suppurativa. Br
J Dermatol 2001;144:809-813.
-
Wolkenstein
P, Loundou A, Barrau K, Auquier P,
Revuz J. Quality of life impairment in hidradenitis suppurativa: A study of 61
cases. J Am Acad Dermatol.
2007;56:621-623.
-
von
der Werth JM, Williams HC. The natural history of hidradenitis suppurativa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2000;14:389-392
-
van der Zee HH, van
der Woude CJ, Florencia EF, Prens EP. Hidradenitis
suppurativa and inflammatory bowel disease: are they associated? Results of a
pilot study. Br J Dermatol 2009 Aug 14. [Epub ahead of print].
III.
PATHOFYSIOLOGIE EN HISTOLOGIE
De
etiologie van hidradenitis suppurativa is nog niet geheel opgehelderd. Wel is
bekend dat het een multifactoriële aandoening betreft waarbij folliculaire
afsluiting en dilatatie, bacteriële kolonisatie en een nog onbekend
pro-inflammatoir mechanisme elk een belangrijke rol spelen (Attanoos 1995,
Boer 1996).
Vroege
laesies bij HS worden gekenmerkt door folliculaire plugging door keratine.
Deze folliculaire occlusie leidt tot dilatatie gevolgd door het te gronde gaan
van de follikel, waarbij de inhoud, zoals keratine en bacteriën, in de
omliggende dermis terecht zal komen. Vervolgens komt door chemotaxis een
inflammatoir proces op gang met vorming van een dicht infiltraat rondom de
follikel, bestaande uit lymfocyten, histiocyten, neutrofielen en soms
reuscellen (Shelley 1955). Hierbij raken secundair de apocriene zweetklieren
betrokken. Er kunnen abcessen ontstaan en bij langer bestaande hidradenitis
suppurativa ziet men vorming van fistelgangen die mogelijk ontstaan uit
epitheliale uitlopers na de folliculaire ruptuur. Uiteindelijk treedt er
veelal fibrose op (Kurzen 2008, Yu 1990, Weedon 1999, Fitzpatrick 1990). Door
zijn etiologie, morfologie, pathogenese en behandeling onderscheidt HS zich
van andere dermatologische aandoeningen zoals acne vulgaris en folliculitis.
Conclusies
|
Niveau
4
|
De
primaire gebeurtenis in hidradenitis suppurativa is folliculaire
plugging.
D
Shelley 1955, Kurzen
2008
|
Literatuur
-
Attanoos
RL, Appleton MAC, Douglas-Jones AG. The pathogenesis of hidradenitis
suppurativa: a closer look at apocrine and apoeccrine glands. Br
J Dermatol 1995; 133:254-258.
-
Boer
J, Weltevreden EF. Hidradenitis suppurativa or acne inverse: a
clinicopathological study of early lesions. Br
J Dermatol 1996:135:721-725.
-
Shelley
WB, Cahn MM. The pathogenesis of hidradenitis suppurativa in man. Arch Dermatol 1955; 71:562-565.
-
Kurzen
H et al. What causes hidradenitis suppurativa? Exp
Dermatol 2008;17:455-456; discussion 457-472.
-
Yu
CCW, Cook MG. Hidradenitis suppurativa: a disease of follicular epithelium,
rather than apocrine glands. Br J
Dermatol 1990;122:763-769.
-
Weedon
D. Skin Pathology. Churchill Livingstone,
Edinburgh
, 1999, p 390.
-
Fitzpatrick
JE. Inflammatory reactions of the sweat unit. In: Farmer ER, Hood EF (eds)
Pathology of the skin. Appleton and Lange, Norwalk, 1990, pp 461-462.
IV.
KLINISCH BEELD
Hidradenitis
suppurativa begint meestal na de puberteit en wordt gekenmerkt door het
ontstaan van pijnlijke diepgelegen ontstoken laesies in gebieden met apocriene
klieren, meestal de oksels, liezen, en het anogenitale gebied (Revuz 2009).
Het begint als een pustuleuze en inflammatoire folliculitis, die later
overgaat in een meer purulent en verlittekenend chronisch ontstekingsproces.
De plooien (liezen en oksels) zijn voorkeurslokalisaties, en omdat zich daar
ook apocriene klieren bevinden, is jarenlang aangenomen dat de ontsteking
uitgaat van de zweetklieren. Het is echter niet alleen beperkt tot oksels en
liezen, soms zijn de intermammaire en submammaire gebieden aangedaan en bij
mannen is er vaak betrokkenheid van het peri-anale gebied en perineum. Minder
frequent zijn de billen aangedaan en in zeldzame gevallen is er sprake van HS
ter hoogte van de nek, taille en retro-auriculair.
Zodra
het huidbeeld verergert, nemen de klachten van pijn, ongemak en irritatie toe.
Er ontstaan dieper gelegen pijnlijke erythemateuze nodi en noduli die vaak
evolueren tot een abces dat chirurgisch ontlast moet worden. Secundaire
laesies ontstaan door lokale recidieven, het samenvloeien van bestaande
laesies en fibrosering van de omgevende huid. Klinisch zeer kenmerkend voor
dit stadium van de ziekte zijn de fistels, welke zeer lange tijd kunnen
blijven bestaan en vaak gekoloniseerd worden door Gramnegatieve bacteriën,
die voor de penetrante geur zorgen. Het laatste stadium wordt gekenmerkt door
hypertrofische fibreuze verlittekening, die leidt tot geïndureerde plaques
van inflammatoire noduli en fistels. Dit kan bewegingsbeperking of lymfoedeem
tot gevolg hebben. Daarnaast is er vooral in een later stadium aanwezigheid
van open comedonen, folliculair gebonden papels en pustels en soms epidermale
cysten.
Complicaties
en geassocieerde aandoeningen
Er
kunnen complicaties optreden zoals erysipelas, sepsis, koorts, en het ontstaan
van hartklep vegetaties. Een gevreesde complicatie is het ontstaan van
plaveiselcelcarcinomen in langdurig bestaande ontstoken gebieden. Bij ernstige
en langdurige hidradenitis kunnen er grote hoeveelheden ontstekingseiwitten
circuleren in het bloed, waardoor een secundaire paraproteïnemie of amyloïdose
kan ontstaan. In zeldzame gevallen geeft dit nierschade. De associatie met
inflammatoire darmziekten, vooral Crohn, is het meest bekend, maar HS patiënten
kunnen ook een artritis hebben. Ook combinaties van pyoderma gangrenosum en
hidradenitis suppurativa komen voor. Bij perianale lokalisaties met perianale
fistels kan het heel moeilijk zijn om te differentiëren tussen hidradenitis
suppurativa of de ziekte van Crohn met perianale fistels, of ectopische Crohn.
Soms lopen de beelden in elkaar over. Patiënten met HS kunnen ook een sinus
pilonidalis hebben. Ook beschreven is de acne tetrade, een combinatie van acne
inversa met andere ontstekingen die veroorzaakt worden door een folliculaire
afsluiting, namelijk acne conglobata, perifolliculitis capitis abcedens et
suffodiens, en sinus pilonidalis.
Literatuur
-
Revuz J.
Hidradenitis suppurativa. J Eur Acad
Dermatol Venereol 2009;23:985-998.
V.
KWALITEIT VAN LEVEN
Hidradenitis
suppurativa gaat gepaard met een ernstige vermindering van de kwaliteit van
leven (Shah 2005, Wolkenstein 2007, Benjamins 2009). De kwaliteit van leven
bij hidradenitis suppurativa, gemeten met de DLQI (Dermatology Life Quality
Index) is slecht, slechter dan die van patiënten met ernstige psoriasis die
in aanmerking komen voor behandeling met biologicals (Shikiar 2006). Uit
onderzoek met de Skindex score blijkt ook dat de kwaliteit van leven bij HS
patiënten slechter is dan van andere chronische aandoeningen zoals psoriasis,
handeczeem of acne vulgaris (Benjamins 2009). Uit dit onderzoek blijkt ook dat
de HS patiënten die roken een slechtere kwaliteit val leven hebben dan de
niet-rokers, maar dit verschil is statistisch niet significant.
Conclusies
|
Niveau
3
|
De
kwaliteit van leven bij patiënten met ernstige hidradenitis suppurativa
is slechter dan die van patiënten met ernstig plaque stadium psoriasis
die in aanmerking komen voor behandeling met biologicals.
C
(Shah 2005, Wolkenstein 2007)
|
Literatuur
-
Shah
N. Hidradenitis suppurativa: a treatment challenge. Am
Fam Physician 2005;72:1547-1552.
-
Wolkenstein
P, Loundou A, Barrau K et al. Quality of life impairment in hidradenitis
suppurativa: a study of 61 cases. J Am
Acad Dermatol 2007;56:621-623.
-
De Korte J, Mombers
FM, Sprangers MA, Bos JD. The
suitability of quality-of-life questionnaires for psoriasis research: a
systematic literature review. Arch
Dermatol 2002; 138:1221-1227.
-
Shikiar
R, Willian MK, Okun MM et al. The validity and responsiveness of three quality
of life measures in the assessment of psoriasis patients: results of a phase
II study. Health Qual Life
Outcomes 2006;4:71.
-
Benjamins M, van der
Wal VB, de Korte J, van der Veen JPW. Kwaliteit van leven bij Nederlandse patiënten
met hidradenitis suppurativa (acne inversa). Ned
Tijdschr Dermatol Venereol 2009;19:446-450.
VI.
DIAGNOSTIEK
De
diagnose wordt gesteld op basis van het klinisch beeld. Een enkele keer zal
een biopt wordt afgenomen ter uitsluiting van andere aandoeningen. Een
positieve familieanamnese kan helpen in de bevestiging van de diagnose.
Differentiaal diagnostisch kan er onder meer gedacht worden aan karbunkels, geïnfecteerde
Bartholini cysten, steatocystoma multiplex, lymfogranuloma venereum, inguinaal
granuloom en tuberculose. Bij perianale fistels moet eveneens gedacht worden
aan de ziekte van Crohn, hoewel uit onderzoek is gebleken dat hidradenitis
suppurativa en morbus Crohn vaak naast elkaar in een zelfde patiënt voorkomen
(Church 1993).
Drie
kenmerken die op dit moment gehanteerd worden voor het stellen van de diagnose
HS zijn 1) de typische huidafwijkingen zoals diep gelegen noduli en/of fibrose,
2) typische lokalisaties zoals liezen en/of oksels en 3) het recidiverende en
chronische beloop.
De
ernst van de aandoening kan volgens verschillende methoden geclassificeerd
worden. Sinds jaren wordt het classificatiesysteem volgens Hurley gebruikt,
waarmee de ernst kan worden gescoord in 3 graden. De Hurley indeling heeft ook
consequenties voor de behandeling: bij de ergste graad (Hurley III) is er geen
gezonde huid meer aanwezig tussen de laesies, het geen inhoudt dat bij een
excisie het gehele gebied (bijvoorbeeld de hele okselhuid) moet worden
verwijderd.
Recent
is er een hidradenitis score ontwikkeld door Sartorius. Deze score levert een
getal op, en dit kan worden gebruikt voor monitoring van de ziekte-ernst maar
ook voor het meten van het effect van behandelingen. Beide methoden zijn een
goede aanvulling op elkaar Hurley 1989, Sartorius 2003).
Een
veel gehoorde klacht van patiënten is dat de aandoening in het beginstadium
niet herkend wordt door huisartsen en specialisten, waardoor niet of te laat
de goede behandeling wordt ingesteld en soms al onherstelbare schade is
ontstaan.
Hurley
stage I-III indeling (Hurley 1989)
Stage
I: Abscess formation, single or multiple, without sinus tracts and
cicatrization
Stage
II: Recurrent abscesses with tract formation and cicatrization, single or
multiple, widely separated lesions
Stage
III: Diffuse or near-diffuse involvement, or multiple interconnected tracts
and
abscesses across the entire
area
Sartorius
score (Sartorius 2003)
Sartorius
heeft een klinische score ontwikkeld, waarmee de ernst van de hidradenitis kan
worden vastgelegd in een getal. Het scoren van hidradenitis is voor de gewone
klinische praktijk te tijdrovend, maar wordt vooral gedaan voor
geneesmiddelenonderzoek. Inmiddels zijn er meerdere aangepaste score systemen
in gebruik, er is geen consensus over de beste score. De Sartorius score is
redelijk uitvoerbaar bij beperkte HS, maar bij zeer ernstige wordt de score
onbetrouwbaar omdat de losse elementen niet goed meer te tellen zijn.
Sartorius
score
|
1.
|
Anatomical
region involved (axilla, groin, gluteal or other region or inframammary
region left and/or right: 3 points per region involved).
|
|
2.
|
Number
and scores of lesions (abscesses, nodules, fistulas, scars: points per
lesion of all regions involved: nodules 2; fistulas 4; scars 1; others
1).
|
|
3.
|
The
longest distance between two relevant lesions, i.e. nodules and fistulas,
in each region, or size if only one lesion (< 5 cm, 2; < 10 cm, 4;
> 10 cm, 8).
|
|
4.
|
Are
all lesions clearly separated by normal skin? In each region (yes 0
⁄ no 6).
|
Literatuur
-
Church
JM, Fazio VW, Lavery IC, Oakley JR, Milsom JW. The differential diagnosis and
comorbidity of hidradenitis suppurativa and perianal Crohn’s disease. Int
J Colorectal Dis 1993;8:117-119.
-
Hurley
HJ. Axillary hyperhidrosis, apocrine bromhidrosis, hidradenitis suppurativa,
and familial benign pemphigus: surgical approach. In: Roenigk RK, Roenigk HH,
editors. Dermatologic surgery. Marcel
Dekker
,
New York
, 1989, pp 729-739.
-
Sartorius
K, Lapins J, Emtestam L, Jemec GB. Suggestions for uniform outcome variables
when reporting treatment effects in hidradenitis suppurativa. Br
J Dermatol 2003;149:211-213.