HIDRADENITIS SUPPURATIVA LITERATUUR
C.
CHIRURGISCHE BEHANDELING
Inleiding
Er
zijn verschillende mogelijkheden voor de behandeling van hidradenitis
suppurativa (HS) waaronder medicamenteuze therapieën, radiotherapie,
cryotherapie en chirurgie (Ather 2006). De meeste hiervan hebben bij ernstige
HS helaas vaak een beperkt of tijdelijk effect. Chirurgie wordt voor curatieve
behandeling van HS als de gouden standaard gezien (Jemec 2005). Operatieve
ingrepen worden zowel door de dermatoloog, chirurg als plastisch chirurg
uitgevoerd. Er zijn diverse ingrepen mogelijk.
|
Chirurgische
ingrepen bij de behandeling van hidradenitis suppurativa
1.
Incisie en drainage
2.
Deroofing
3.
Excisie
a. locaal
b. gehele behaarde
huid rondom aangedane weefsel
c. radicale excisie
met behaarde huid en extra marge 1-3 cm gezond weefsel
en 5 mm in subcutaan
vet
4.
Chirurgie met CO2 laser
Procedures
voor sluiten van het huiddefect
1.
Primair sluiten
2.
Secundair sluiten middels
a. split skin graft
b.
verschuivingsplastiek
3.
Secundaire genezing (genezing per secundam)
|
Uitgangsvraag
Wat
is de effectiviteit van de verschillende chirurgische ingrepen bij de
behandeling van hidradenitis suppurativa?
De
opties bij chirurgische behandeling zijn: incisie en drainage, deroofing,
lokale of radicale excisie en chirurgie met CO2 laser. Er bestaat
echter nog geen consensus over wat de meest optimale chirurgische ingreep is
bij de verschillende varianten van HS. Met behulp van de Hurley of Sartorius
criteria (Sartorius 2003) kan de ernst van de ziekte geclassificeerd worden.
Zowel de Hurley als de Sartorius classificatie kunnen gebruikt worden, want
tussen beide is een hoge correlatie gevonden (Canoui-Poitrine 2009). De
uitkomst van deze score kan dienen als leidraad voor de keuze van een bepaalde
chirurgische ingreep (Jemec 2005, Kagan 2006). Echter ook de lokalisatie van
HS, de aard van de ziekte en de co-morbiditeit van de patiënt spelen een rol
bij de uiteindelijke keuze wat als meest optimale behandeling wordt bevonden.
Het effect van radicale excisie lijkt bijvoorbeeld te variëren per locatie.
In de axilla en perianaal treden minder vaak recidieven op dan submammair en
inguinaal (Buimer 2009, Alikhan 2009).
Ook
de wijze van sluiten van het defect is van invloed op de recidiefkans, al
lijkt dit beperkt. De wond kan primair of secundair gesloten worden. Dit hangt
onder meer af van de grootte van het defect, de lokalisatie en de voorkeur van
de patiënt.
Het
is moeilijk een goed beeld te krijgen van de effectiviteit van de
verschillende chirurgische ingrepen bij HS, want er zijn weinig uitgebreide
gerandomiseerde studies uitgevoerd. De beschikbare data betreft veelal studies
met weinig patiënten of case reports. Ook verschilt per studie de ernst van
de HS in de onderzochte populaties en is het begrip radicale excisie vaak niet
specifiek gedefinieerd. Deze verschillen maken het lastig de uitkomsten goed
te kunnen vergelijken (Jemec 2005). Onderzoeken met grotere patiëntenpopulaties
zijn voornamelijk in de jaren tachtig uitgevoerd en inmiddels wat achterhaald.
1.
Incisie en Drainage
Uitgangsvraag:
wat is de effectiviteit van incisie en drainage als behandeling bij HS?
Inleiding
Incisie
en drainage, een ingreep waarbij abcessen worden opengelegd, wordt vaak in de
acute fase van een purulente ontsteking toegepast. Een abces wat onder
spanning staat veroorzaakt forse pijn en dit kan worden verlicht door een
incisie, al dan niet na voorafgaande lokale verdoving. Bij het verdoven met
lidocaïne moet men er rekening mee houden dat het inspuiten van
verdovingsvloeistof in ontstoken gezwollen weefsel pijnlijk is en dat de
verdoving soms minder goed werkt of langzamer intreedt. Dat komt door
overgevoeligheid van overprikkelde pijnvezels en mogelijk door inactivering
van lidocaïne door uitscheidingsproducten van leukocyten (Ueno, 2008).
Belangrijk is ook de patiënt te informeren dat deze ingreep slechts gedaan
wordt ter ontlasting van de pijnklachten en niet curatief van opzet is (Shah
2005).
Samenvatting
van de literatuur
Er
zijn geen patiëntenstudies uitgevoerd naar het curatieve effect van incisie
en drainage bij HS. In verschillende reviews over chirurgische ingrepen bij HS
wordt wel summier van deze ingreep een positief effect op pijnklachten
genoemd. Omdat incisie en drainage een verrichting is die al vanaf oudsher
toegepast wordt bij het ontlasten van abcessen (ubi
pus, ibi evacua), mag worden aangenomen dat dit ook bij HS een effectieve
behandeling is in de acute ontstekingsfase.
Conclusies
|
Niveau
3
|
Incisie
en drainage geeft een recurrence rate van 100% binnen 3 maanden en wordt
dan ook niet gezien als curatieve behandeling.
C
Buimer 2009
|
|
Niveau
4
|
Incisie
en drainage van fluctuerende abcessen bij HS is nuttig omdat het de
acute pijn verlicht maar is uiteindelijk geen curatieve behandeling van
hidradenitis suppurativa.
D
Banerjee 1992, Krbec 2007, Shah 2005, Rieger 2008
|
Aanbevelingen
|
Incisie
en drainage is een tijdelijke pijnverlichtende maatregel, die ook in de
eerste lijn of op eerste hulp posten kan worden toegepast. Het verdient
aanbeveling dat deze patiënten binnen enkele weken worden teruggezien
om te beoordelen of het probleem gebied d.m.v. een radicale chirurgische
ingreep kan worden verwijderd.
|
2.
Deroofing
Uitgangsvraag:
wat is de effectiviteit van deroofing bij de behandeling van HS op lange
termijn?
Inleiding
Deroofing
is een behandeling waarbij fistelgangen en abcesholten worden blootgelegd door
de bovenliggende huid te verwijderen. De bodem van de gangenstelsels c.q. de
holten wordt hierbij intact gelaten. De bodem is vaak over een groot gedeelte
bekleed met epitheelresten, van waaruit redelijk normaal uitziend verhoornend
epitheel kan teruggroeien. De gedachte hierachter is dat dit leidt tot minder
recidieven in vergelijking met excisie en sluiten, waarbij epitheelresten
kunnen achter blijven die op termijn opnieuw problemen kunnen veroorzaken
(Brown 1986, Jemec 2005).
Tijdens
de ingreep wordt vaak een uitgebreider horizontaal gebied met fistelvorming
gevonden dan in eerste instantie van buitenaf zichtbaar was. Indien een groot
gebied is aangedaan, wordt op geleide van postoperatieve pijn en mobilisatie,
de procedure in meerdere sessies uitgevoerd. Een voordeel van deroofing is dat
er geen grote oppervlakten van de huid verwijderd worden. Een groot deel van
de bodem is immers al geëpithelialiseerd door de bodembekleding van de fistel
of abcesholte. Dit maakt de kans op bijkomende problemen zoals postoperatieve
infecties kleiner.
Samenvatting
van de literatuur
Ook
over de effecten van deroofing zijn weinig studie gepubliceerd. Brown et al.
hebben de deroofing procedure van sinussen en fistels voor het eerst
beschreven (Brown 1986). Vier patiënten met ernstige perianale HS werden met
deroofing behandeld. Bij drie werd een forse verbetering van pijn en
pus-uitvloed gezien. Bij de vierde werd tijdens behandeling in één van de
laesies een plaveiselcelcarcinoom gediagnosticeerd. In de discussie van het
artikel wordt het belang van vroegtijdig diagnosticeren en chirurgisch
behandelen van HS benadrukt.
Van
der Plas et al. beschreven een variatie op Brown’s deroofing, waarbij met
een elektrische lis of mes het dak van de fistelholte wordt verwijderd. Het
voordeel van de combinatie snijden en coaguleren is dat door goede
bloedstelping het operatiegebied overzichtelijk blijft. Er werden 21 patiënten
behandeld waarbij bij 96% genezing bereikt werd in het behandelde gebied. Bij
66% ontstond in onbehandelde huid een nieuwe laesie. Geconcludeerd werd dat
deroofing een snelle, patiëntvriendelijke en effectieve behandeling is (Van
der Plas 1994).
Door
Mekkes et al. wordt in een case report een goed effect van de combinatie
deroofing met infliximab beschreven (Mekkes 2004).
Conclusies
|
Niveau
3
|
Lokaal
lijkt deroofing weinig recidieven te geven, echter in de onbehandelde
huid blijft de ziekte actief.
C
Van der Plas 1994
|
|
Niveau
4
|
Ook
bij minder uitgebreide HS (Hurley I) lijkt vroeg chirurgisch ingrijpen
zinvol.
D
Brown 1986
|
Aanbevelingen
|
Deroofing
en andere chirurgische ingrepen worden sterk geadviseerd, met name
indien een ontsteking of nodus of fistel steeds op dezelfde plek
problemen veroorzaakt.
|
3.
Excisie lokaal en radicaal
Uitgangsvragen:
1.
Hoe radicaal moeten laesies geexcideerd worden om recidieven te voorkomen?
Speelt de ernst en locatie
van HS hierbij een rol?
2.
Welke manier van sluiten na excisie geeft de minste postoperatieve
complicaties en
recidieven?
Inleiding
Excisie
is in principe een behandeling waarmee genezing kan worden bereikt. Om zo
optimaal mogelijk te behandelen is een eerste vereiste dat alle fistels,
abcessen en zichtbaar ontstekingsweefsel geexcideerd worden. Daarnaast lijkt
de marge van excideren van groot belang voor een curatief effect. Voor welke
marge momenteel wordt gekozen hangt onder meer af van uitgebreidheid en
locatie van HS en verschilt dus van patiënt tot patiënt.
In
de literatuur worden 3 marges van excideren beschreven (Soldin 2000):
1.
Beperkte locale excisie: zichtbare fistels en abcessen worden geexcideerd.
2.
Excisie van de behaarde huid axillair of inguinaal.
3.
Radicale excisie: het aangedane gebied met behaarde huid en een marge van 1-3
cm
rondom het zieke weefsel
wordt verwijderd.
Uit
de weinige beschikbare patiëntenstudies worden de volgende globale
aanbevelingen gedaan. Beperkte locale excisie heeft de voorkeur bij milde HS
waarbij veel gezonde huid zichtbaar is tussen de fistels en abcessen (Hurley
stage I en II). Excisie van alle behaarde huid rondom de laesies wordt
aanbevolen bij een beeld met uitgebreidere fistelgangen onder de huid. Bij een
zeer groot aangedaan gebied met veel fistels, abcesvorming en
ontstekingsweefsel (Hurley stage III) wordt radicale excisie met marge van 1-3
cm en het meenemen van al het aangedane weefsel geadviseerd (Banerjee 1992,
Ritz 2000, Soldin 1998, Revuz 2009). In diverse onderzoeken wordt benadrukt
hoe belangrijk het is om geen concessie te doen aan de marge die meegenomen
wordt, om de wond primair te kunnen sluiten. Een te krappe marge leidt bijna
altijd tot recidieven.
Hoewel
er dus globale richtlijnen voor excisie zijn opgesteld, is er geen beschikking
over harde criteria. In een aantal van de gevallen ontstaan er ondanks een
adequate marge van excisie nieuwe laesies. Dit betreft in de postoperatieve
fase vaak recidieven in het geopereerde gebied, langere tijd na excisie gaat
het veelal om nieuwe foci (Jemec 2005).
Voor
het sluiten van de huid worden verschillende technieken toegepast. De huid kan
primair gesloten worden of secundair (in tweede instantie) middels een
split-skin graft of verschuivingsplastiek. Fasciocutane flaps kunnen worden
gebruikt voor kleinere defecten, parascapulaire flaps voor grote defecten (Banerjee
1992, Soldin 2000). De wondbodem kan eventueel sneller worden voorbereid voor
secundaire sluiting met behulp van een VAC systeem (Prandl 2008, Rehman 2005).
Ook
kan er, afhankelijk van de uitgebreidheid van de excisie, voor gekozen worden
de wond niet te sluiten maar open te laten (genezing per secundam). Ook hier
is nog geen eenduidige conclusie over wat de beste optie is betreffende
snelste genezing, beste cosmetische resultaat en minste kans op recidieven.
Bekend is wel dat de mate van radicaliteit beduidend meer van invloed is op de
recidiefkans dan het postoperatieve wondbeleid (Rompel 2000, Soldin 2000).
Samenvatting
van de literatuur
Er
zijn weinig grote patiëntentrials van goede kwaliteit verricht naar de
optimale marge van radicaal excideren. De maat voor de effectiviteit van
behandeling is meestal de “recurrence rate”. Niet altijd wordt het
ziektevrije interval of de locatie waar een recidief optreedt genoemd. De
beschikbare studies zijn bijna zonder uitzondering retrospectief uitgevoerd en
de meeste hebben een korte follow-up duur (Banerjee 1992, Jemec 2005). Ook
verschilt per onderzoek de onderzochte HS locatie waardoor het moeilijk is tot
een éénduidige uitspraak te komen. In recente artikelen en reviews wordt
veel gerefereerd naar studies uit de jaren tachtig en negentig.
In
een retrospectieve studie van Harrison et al. met 82 patiënten (118 excisies)
werd aangetoond dat radicale excisie van zowel behaarde huid als een marge van
tenminste één cm in gezond weefsel het recidief risico verkleind (Harrison
1987). Dit werd in een andere retrospectieve studie (n= 31) bevestigd (Ritz
1998). De follow-up van beide studies was respectievelijk 89 en 72 maanden.
Door Prandl et al. werden retrospectief de resultaten geanalyseerd van 30 patiënten
met anogenitale HS, behandeld in de periode tussen 1993 en 2005. Ook hier werd
geconcludeerd dat radicaal excideren van de behaarde huid met een marge van
1-3 cm in gezond weefsel de beste kans op genezing biedt (Prandl 2008).
Een
studie van Soldin et al. bij 59 patiënten (94 ingrepen) met axillaire HS liet
zien dat verwijderen van behaarde huid zonder ruime marge bij axillaire HS ook
tot minder recidieven leidt (Soldin 2000). Mandal concludeerde in een
retrospectieve studie met 106 patiënten dat radicaal excideren zelfs in milde
HS gevallen noodzakelijk is om curatie te bereiken (Mandal 2005).
Ook
de locatie blijkt van invloed te zijn op de resultaten. Axillair en perianaal
komt HS na excisie minder snel terug dan inguinaal, genitaal en submammair (Ritz
1998, Harrison 1987).
Buimer
et al. deden als enige een prospectieve gerandomiseerde studie met 200 patiënten,
waarbij werd gekeken naar postoperatieve wondinfectie bij primair sluiten met
of zonder gentamycine spons in het wondbed. Er werd een positief effect van
gentamycine gezien tot 1 week na de behandeling. Buimer et al (2008)
Onderzoeken
naar de methode van sluiten van de huid laten veelal zien dat primair ten
opzichte van secundair sluiten tot meer recidieven leidt (Mandal 2005).
Secundair
sluiten (SSG of verschuivingsplastiek) moet worden gereserveerd voor
ernstige/grotere defecten, vooral in de inguinale / perianale regio. Secundair
sluiten geeft anogenitaal snellere wondgenezing, zelden contracturen en
functionele defecten.
Over
het succespercentage van het openlaten van wonden is weinig bekend. Wel zijn
er studies die rapporteren dat de patiënt de voorkeur geeft aan healing per
secundam omdat dat betekent een kortere ziekenhuisopname, minder
bewegingsbeperking en sneller in staat weer te werken na een ingreep (Meixner
2008, Rehman 2005).
Conclusies
voor ingrepen in de oksel:
|
Niveau
3
|
Bij
milde vormen van HS (Hurley I en II, kleinere axillaire laesies omgeven
door normale huid) wordt locale excisie met primair sluiten aanbevolen.
C
Jemec 1988, Jemec 2005, Revuz 2009
|
|
Niveau
3
|
Bij
locale excisie met primair sluiten is een ruime excisiemarge nodig, een
ruime marge verkleint de kans op het ontstaan van recidieven.
B
Bordier 2008
|
|
Niveau
3
|
Primair
sluiten geeft een hoger aantal recidieven dan secundair sluiten (met een
split skin graft of verschuivingsplastiek).
B
Mandal 2005, Meixner 2008, Rehman 2005
|
|
Niveau
3
|
Bij
ernstige vormen van HS in de oksel (Hurley III) is radicale excisie van
de gehele behaarde axillaire huid met een marge van 1-3 cm in gezond
weefsel een effectieve behandeling die leidt tot blijvend resultaat.
B
Harrison 1987, Soldin 2000, Rehman 2005, Mandal 2005
|
Conclusies
voor ingrepen inguinaal / anogenitaal:
|
Niveau
3
|
Radicale
excisie van de aangedane huid en subcutis met een marge van 1-3 cm in
gezond weefsel is een effectieve behandeling van inguinale of
anogenitale hidradenitis suppurativa.
C
Harrison 1987, Prandl 2008
|
|
Niveau
3
|
Bij
ernstige (Hurley III) inguinale of anogenitale HS is radicale excisie
met een marge van 1-3 cm tot in gezonde huid de eerste keus behandeling.
B
Balik 2008, Buimer 2009
C
Kagan 2005
|
|
Niveau
3
|
Bij
locale inguinale of anogenitale HS (Hurley I, II) is locale excisie met
primair sluiten mogelijk maar dit leidt tot een hoog recidiefpercentage
(50%).
B
Buimer 2009
C
Kagan 2005
|
|
Niveau
4
|
Radicale
excisie met gezing per secundam is een adequate wijze van verwijderen
van HS in de inguinale of anogenitale regio, met cosmetisch acceptabele
littekens met weinig postoperatieve bewegingsbeperking.
D
Banerjee 1992
|
4.
Chirurgie met CO2 laser
Uitgangsvraag:
Is
CO2 laser chirurgie een effectieve behandelingsoptie bij milde
vormen van HS?
Inleiding
In
de jaren 90 werd gezocht naar een effectieve en minimaal invasieve behandeling
voor milde vormen van HS. Excisie van de laesies door CO2 laser
chirurgie gecombineerd met secundaire healing werd geïntroduceerd (Lapins
1994). De behandeling bestaat uit het onder locale verdoving (lidocaïne en
epinefrine) verwijderen van vooraf geselecteerde symptomatische laesies met
een zo krachtig mogelijke laserstraal. Dit wordt gecontinueerd tot in de
wondbodem vetweefsel, en rondom de laesie, gezonde huid zichtbaar is. De
wondgenezing vindt plaats middels secundaire genezing.
Voordelen
van deze techniek zijn betere hemostase en visualisatie van aangedaan weefsel
(Ather 2006). De hitte die ontstaat bij CO2 laser therapie zou ook
verspreiding van bacteriën uit het geïnfecteerde weefsel voorkomen, waardoor
er minder infectierisico is. (Jemec 2005). Postoperatieve antibiotica worden
alleen gegeven bij tekenen van secundaire infectie. Bloedverdunnende medicatie
moet 1-3 weken vooraf gestopt worden.
Samenvatting
van de literatuur
Er
zijn een aantal artikelen gepubliceerd over CO2 laser chirurgie als
behandeling bij HS, waarvan twee patiëntenstudies zonder randomisatie. De
eerste studie is uit 2002, waarbij 34 patiënten met Hurley klasse II werden
behandeld. Bij 30 patiënten traden geen recidieven op in het behandelde
gebied, 12 kregen nieuwe laesies en 25 een opvlamming van HS in een niet
behandelde regio (Lapins 2002). De tweede patiëntenstudie werd in 2008
gepubliceerd. Er werden 9 patiënten met CO2 laser behandeld,
waarvan 7 complete remissie bereikten tot 1 jaar na de ingreep (Madan 2008).
In de literatuur wordt geconcludeerd dat CO2 laser chirurgie met name een patiëntvriendelijke
en snelle behandelingsoptie is. De effectiviteit op lange termijn moet verder
onderzocht worden.
Conclusies
voor chirurgie met CO2 laser:
|
Niveau
3
|
Chirurgie
met CO2 laser kan een behandelingsalternatief zijn bij
chronisch recidiverende HS. De behandeling wordt goed getolereerd door
patiënten en lijkt lokaal weinig recidieven te geven.
C
Madan 2008, Lapins 2002
|
Overwegingen
Behandeling
met CO2 laser chirurgie wordt beschreven als een mogelijke
behandeloptie bij patiënten met matige ernstige tot ernstige HS (Hurley
klasse II-III). Uit één studie komt naar voren dat er weinig recidieven
optreden.
Hoewel
de toepassing van CO2 laser chirurgie al ruim twintig jaar bestaat,
zijn er te weinig studies naar verricht om de effectiviteit goed te kunnen
beoordelen. Er zijn geen studies die CO2 laser chirurgie met andere
chirurgische ingrepen zoals excisie vergelijken. Verder is niet duidelijk of
CO2 laser chirurgie een meerwaarde heeft t.o.v. eenvoudiger
procedures zoals deroofing gecombineerd met elektrocoagulatie van de bodem met
een eenvoudige coagulator.
Literatuur
-
Ather
S, Chan DS, Leaper DJ, Harding KG. Surgical treatment of hidradenitis
suppurativa: case series and review of the literature. Int
Wound J 2006;3:159-169.
-
Balik
E, Eren T, Bulut T, Büyükuncu Y, Bugra D, Yamaner S. Surgical approach to
extensive hidradenitis suppurativa in the perineal / perianal and gluteal
regions. World J Surg 2009;33:481-487.
-
Banerjee
AK
. Surgical treatment of
hidradenitis suppurativa. Br J Surg
1992;79:863-866.
-
Brown
SC
, Kazzazi N, Lord PH.
Surgical treatment of perineal hidradenitis suppurativa with special
referrence to recognition of the perianal form. Br
J Surg 1986;73:978-980.
-
Buimer MG, Ankersmit
MF, Wobbes T, Klinkenbijl JH. Surgical
treatment of HS with gentamycin sulphate: a prospective randomised study. Dermat
Surg 2008;34:224-227.
-
Buimer MG, Wobbes T,
Klinkenbijl JH. Hidradenitis
suppurativa. Br J Surg
2009;96:350-360.
-
Canoui-Poitrine
F, Revuz JE, Wolkenstein P, Viallette C, Gabison G, Pouget F, Poli F, Faye O,
Bastuji-Garin S. Clinical characteristics of a series of 302 French patients
suffering from hidradenitis suppurativa, with an analysis of factors
associated with disease severity. J Am
Acad Dermatol 2009;61:51-57.
-
Lapins
J, Emtestam L. Chapter 22: Surgery. In: Jemec GBE, Revuz J, Leijden JL (eds): Hidradenitis suppurativa. Springer
Berlin
Heidelberg 2006,
pp:161-173.
-
Harrison
BJ, Mudge M, Hughes LE. Recurrence after surgical treatment of hidradenitis
suppurativa. British Medical Journal
1987;294:487-489.
-
Kagan
RJ, Yakuboff KP, Warner P, Warden GD. Surgical treatment of hidradenitis
suppurativa: A 10-year experience. Surgery
2005;138:734-741.
-
Krbec
AC. Current understanding and management of hidradenitis suppurativa. J
Am Acad Nurse Prac 2007;19:228-243.
-
Lapins
J, Marcusson JA, Emtestam L. Surgical treatment of chronic HS: CO2 laser
stripping-secondary intention technique. Br
J Dermatol 1994;131:551-556.
-
Lapins
J, Sartorius K, Emtestam L. Scanner assisted carbon dioxide laser surgery: A
retrospective follow up study of patients with hidradenitis suppurativa. J
Am Acad Dermatol 2002;47:280-285.
-
Madan
V, Hindle E, Hussain W, August PJ. Outcomes of treatment of nine cases of
recalcitrant severe hidradenitis suppurativa with carbon dioxide laser. Br
J of Dermatol 2008;159:1309-1314.
-
Mandal
A, Watson J. Experience with different treatment modules in hidradenitis
suppurativa: A study of 106 cases. Surgeon
2005;3:23-26.
-
Meixner D, Schneider
S, Krause M, Sterry W. Acne
inversa. J Dtsch Dermatol Ges
2008;6:189-196.
-
Mekkes JR, Hommes
DW. Behandeling van hidradenitis suppurativa met deroofing en infliximab. Ned
Tijdschr Dermatol Venereol 2004;14:196-197.
-
Plas van der M. Bos
WH. Chirurgische behandelingen van hidradenitis (epitheliale adnexcysten) door
de dermatoloog. Ned Tijdschr Dermatol
Venereol 1994;4:101-103.
-
Prandl
E, Arbab E, Schintler M, Spendel S, Scharnagl E. Acne inversa of the
anogenital region: early radical surgical excision with plastic defect
coverage is treatment of choice. J
Eur Acad Dermatol Venereol
2008;22:754-755.
-
Rehman
N, Kannan RY, Hassan S, Hart NB. Thoracodorsal
artery perforator (TAP) type I V-Y advancement flap in axillary hidradenitis
suppurativa. Br J Plast Surg
2005;58:441-444.
-
Revuz J.
Hidradenitis suppurativa. J Eur Acad
Dermatol Venereol 2009;23:985-998.
-
Rieger
UM, Erba P, Pierer G, Kalbermatten DF. Hidradenitis suppurativa of the groin
treated by radical excision and defect closure by medial thigh lift: aesthetic
surgery meets reconstructive surgery. J
Plast Reconstr Aesthetic Surgery 2008;4:1-6.
-
Ritz
JP, Runkel N, Haier J, Buhr HJ. Extent of surgery and recurrence rate of
hidradenitis suppurativa. Int J Colorect
Dis 1998;13:164-168.
-
Rompel
R, Petres J. Long-term results of wide surgical excision in 106 patients with
hidradenitis suppurativa. Dermatol Surg
2000;26:638-643.
-
Sartorius
K, Lapins J, Emtestam L, Jemec GB. Suggestions for uniform outcome variables
when reporting treatment effect in hidradenitis suppurativa. Br
J Dermatol 2003;149:211-213.
-
Shah
N. Hidradenitis suppurativa: a treatment challenge. Am
Fam Physician 2005;72:1547-1552.
-
Soldin
MG, Tulley P, Kaplan H, Hudson DA, Grobbelaar AO. Chronic
axillary hidradenitis - the efficacy of wide excision and flap coverage. Br J Plast Surg 2000;53:434-636.
-
Ueno
T, Mizogami M, Takakura K, Tsuchiya H. Membrane effect of lidocaine is
inhibited by interaction with peroxynitrite. J
Anesthesia 2008;22:96-99.
D.
OVERIGE
Fotodynamische
therapie
Fotodynamische
therapie zorgt voor semi-selectieve weefseldestructie en heeft een
antimicrobieel effect. Het wordt tegenwoordig veelvuldig gebruikt in de
behandeling van actinische keratose en bepaalde types basaalcelcarcinomen. De
behandeling is gebaseerd op activatie van een van te voren op de huid
aangebrachte lichtgevoelige stof in een crème, gevolgd door
weefseldestructie. De meest gebruikte lichtgevoelige stoffen wereldwijd zijn
aminolevulinaat (ALA) en een geësterde vorm van aminolevulinaat. In Nederland
is deze stof verkrijgbaar onder de merknaam Metvix® (methyl aminolevulinaat).
Na lokaal aanbrengen wordt de stof geabsorbeerd in de huid en vervolgens
gemetaboliseerd tot protoporfyrine IX. Deze porfyrines zijn foto-actieve
verbindingen. Bij belichting met rood licht (570–670 nm) ontstaan vrije
zuurstofradicalen, die de blootgestelde doelcellen beschadigen en doden. In
gezonde huid wordt protoprfyrine IX verder gemetaboliseerd door ferrochelatase
tot niet foto-actieve stoffen. In (pre)maligne weefsel is ferrochelatase
minder aanwezig waardoor er een ophoping van protoporfirine IX zal
plaatsvinden. De theorie achter de behandelling met PDT bij hidradenitis
bestaat uit het idee dat het hypertrofisch epitheel van de haarfollikel het
aangrijpingspunt is voor ALA.
Samenvatting
van de literatuur
In
de literatuur wordt een aantal case reports en case series gerapporteerd met
wisselend resultaat. Gold et al. publiceerden een case serie waarbij 3 patiënten
zelfs na 3 jaar klachtenvrij zijn (Gold 2005). Ook Saraceno publiceerde een
succesvolle casus met een remissie van 80% (Saraceno 2009). De overige
artikelen laten geen verbetering en soms verslechtering van het huidbeeld zien
na gebruik van PDT (Passeron 2009). Verder wordt er veelvuldig gesproken over
de bijwerkingen. Met name branderigheid en stekende pijn worden genoemd en
zijn voor meerdere patiënten reden voor stoppen geweest (Strauss 2005, Rivard
2006, Sotiriou 2009, Passeron 2009).
Conclusies
|
Niveau
3
|
Er
is onvoldoende bewijs voor de effectiviteit van fotodynamische therapie
in de behandeling van hidradenitis suppurativa.
C
Gold 2004, Strauss 2005, Rivard 2006, Saraceno 2009, Sotiriou
2009
C
Passeron 2009
|
Aanbevelingen
|
Gezien
de afwezigheid van bewijs is er geen rol weggelegd voor fotodynamische
therapie in de behandeling van ernstige therapieresistente hidradenitis
suppurativa
|
Literatuur
-
Farmacotherapeutisch
Kompas 2009. Methylaminolevulinaat.
-
Gold
M, Bridges TM, Bradshaw VL, Boring M. ALA-PDT and blue light therapy for
hidradenitis suppurativa. J Drugs
Dermatol 2004;3(Suppl):S32-S35.
-
Larko
O. Photodynamic therapy. Aust J Dermatol
(Suppl.) 2005;46:S1-2.
-
Nybæk
H, Jemec GBE. Photodynamic therapy of acne rosacea. Dermatology
2005:211:135-138.
-
Passeron
T, Khemis A, Ortonne JP. Pulsed dye laser-mediated photodynamic therapy for
acne inversa is not successful: A pilot study on four cases. Journal of Dermatological Treatment 2009;20:1-2.
-
Rivard
J, Ozog D. Henry Ford Hospital dermatology experience with Levulan Kerastick
and blue light photodynamic therapy. J
Drugs Dermatol 2006;5:556-561.
-
Saraceno
R, Teoli M, Casciello C, Chimenti S. Methyl aminolaevulinate photodynamic
therapy for the treatment of hidradenitis suppurativa and pilonidal cysts.
Photodermatology,
Photoimmunology & Photomedicine 2009;25,164-165.
-
Sotiriou
E, Apalla Z, Maliamani F, Ioannides D. Treatment of recalcitrant hidradenitis
suppurativa with photodynamic therapy: report of five cases. Clin
Exp Dermatol 2009;34:235-236.
-
Strauss
RM, Pollock B, Stables GI, Goulden V, Cunliffe WJ. Photodynamic therapy using
aminolaevulinic acid does not lead to clinical improvement in hidradenitis
suppurativa. Br J Dermatol 2005;152:803-804.
Radiotherapie
wordt genoemd als optie op grond van een retrospectief onderzoek verricht door
Fröhlich et al (Fröhlich 2000). Er zijn enkele case reports gepubliceerd
over radiotherapie. Dit zijn voornamelijk oude studies, uit de jaren 60, in de
periode dat low-dose (1-4 Gy) orthovoltage röntgentherapie werd toegepast bij
allerlei huidafwijkingen, waaronder atopisch eczeem. Er zijn onvoldoende
studies van goede kwaliteit om een uitspraak te doen over het nut van
radiotherapie. Gezien de mogelijke bijwerkingen (röntgendermatitis, röntgenulcera,
en een verhoogde kans op het ontstaan van huidmaligniteiten in het bestraalde
gebied) lijkt radiotherapie geen voor de hand liggende keus.
Laser ontharing met een Neodynium
YAG laser zou mogelijk
effectief kunnen zijn. De hypothese hierachter is dat HS uitgaat van het
haarfollikel complex en dat vernietiging daarvan een preventief of
therapeutisch effect zou kunnen hebben. Tierney et al. behandelden 22 patiënten
in een links rechts vergelijking met een Neodynium YAG laser (Tierney 2009).
De behandeling was 1 keer per maand gedurende 4 maanden. Door middel van een
gemodificeerde Sartorius score werd de ernst gescoord. De met laser behandelde
kant werd significant beter gescoord dan de niet-behandelde kant.
Botuline toxine
is geprobeerd bij een klein aantal patiënten en wordt beschreven als
succesvol (Feito-Rodríguez 2009). Dit gaat uit van de hypothese dat HS een
zweetklierontsteking is, waarbij remming van de zweetproductie dan een
therapeutisch effect zou moeten hebben. Omdat die hypothese achterhaald is, is
het moeilijk om een plausibele verklaring te bedenken van een eventueel effect
van botuline.
Aanbevelingen
|
Radiotherapie
voor hidradenitis suppurativa wordt afgeraden. Er is onvoldoende bewijs
voor de effectiviteit, de behandeling kan littekenvorming en slecht
genezende wonden veroorzaken, en er is een verhoogde kans op het
ontstaan van plaveiselcelcarcinomen.
|
Aanbevelingen
|
Behandeling
met Neodynium YAG laser verdient nader onderzoek. Het is mogelijk dat
hier een preventief of therapeutisch effect van uitgaat.
|
Literatuur
-
Fröhlich
D, Baaske D, Glatzel M. Radiotherapy of hidradenitis suppurativa - still valid
today? Strahlenther Onkol
2000;176:286-289.
-
Feito-Rodríguez
M, Sendagorta-Cudós E, Herranz-Pinto P, de Lucas-Laguna R. Prepubertal
hidradenitis suppurativa successfully treated with botulinum toxin A. Dermatol Surg 2009;35:1300-1302.
-
Tierney
E, Mahmoud BH, Hexsel C, Ozog D, Hamzavi I. Randomized control trial for the
treatment of hidradenitis suppurativa with a neodymium-doped yttrium aluminium
garnet laser. Dermatol Surg
2009;35:1188-1198.